Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

tweede zang.

I.

Wat is daar zoet op aarde en lieflijk in dit leven, - De erinring doet nog vast het hart des grijsaards beven Van zachte ontroering; en, o jong en zalig Paar, Uw boezem trilt gewis, bij 't trillen dezer snaar - Wat is daar zoet en rein en lieflijk hier op aarde, Als - 't eerste huwlijksreisje in 's Levens rozengaarde?

II.

't Is wel de liefste dag op 't reisje hier beneden, Een kijkje nog eens weer in 't lang verloren Eden! Zoo eigen, stille haard u dieper weelde biedt, Een zorgeloozer dag geeft ons de Hemel niet! En menig paartje wie 't zal spijten, al hun dagen, Dat zij toen niet metéén Genève en Rome zagen!

III.

Straks komt de heilge Zorg! men ziet met andere oogen: Uw ambt, uw zaak, uw beurs wil 't zwerven niet gedoogen, Ons boeit het piepend kroost aan 't nestje van de trouw, En - vogels zijn we niet!... maar wat ik zeggen woû, Nochtans zoo treurig niets, als juist de huwlijksreisjes, Die vaak het voorland zijn der liefste Delftsche meisjes.

IV.

Gij, voor dien feesttijd, zoekt en kiest de lieflijkste oorden, Gij doolt te zaam langs Rijn- of Maas- of Neckarboorden. Gij juicht: Excelsior! en trekt naar de Alpen heen, Of de Alpen over, naar de koningin der steên, Of naar Venetiën, de stad der Gondelieren, Of naar Luilekkerland, of waar ge ook heen wilt zwieren.

V.

Gij gaat en - komt terug, gelukkig, opgetogen! Verrassend staat ge op eens uw dierbren weer voor de oogen! En 't uur van thuiskomst is niet zelden vaak, bij slot Van reekning, 't zoetste nog van al uw reisgenot. Men prijst uw uiterlijk; gij bloost; gij hebt apartjes, Gij geeft prezenten en u kloppen alle hartjes.

VI.

Doch ànders is het voor mijn Delftsche bruid besloten. De Bruiloftsnoga is, in tranen, pas genoten, Of 't heet: Zeilreê, aan Boord! en 't jonge paartje aanvaardt Een reisje op d' oceaan, naar de andre helft der aard Naar Java, verder niet! het hart vol zoete droomen, Om over twintig jaar - of nimmer! - weer te komen.

VII.

Men viert zijn honeymoon op zee! 't is wel verheven, Althans bij storm! doch ik verkoos de lieve dreven Der aarde in zoo'n geval. 't Verheevne wordt ook vrij Eentonig ras, op zee, als in de poëzij. En - werdt ge eens zeeziek in de honeymoon... 't zou wezen Om 't meest romantisch paar voor altijd te genezen!

VIII.

Maar wee mijn valsche jok! zoo 'k glimlach, 't is van smarte, Als een die tandpijn heeft, ja - tandpijn in zijn harte. Die reislust toch naar de' Oost is 't groote Delftsche leed! Een bron van wanhoop soms, van lijden lang en wreed. Niet voor die heengaan juist, maar voor die achterblijven, Wier leven is geknakt, wier troost is - brieven schrijven!

IX.

Verliefden zijn tevreê, te land of op de baren, ‘Uw hart en - een kajuit!’ is 't woord der jonge paren. Philippe en Philippine, in éénen notedop, Zijn zeer gelukkig saam, ook op het ruime sop. Het afscheid viel wel zwaar - doch Jonkheid, Moed en Liefde, Zij kwamen 't hart te hulp, eer 't schip de golven kliefde!

X.

Maar wee die bleven! Hoor, het stormt! De scheeve Toren Van Delft houdt zich weer flink en taai, als ooit te voren; Maar 't stormt in menig borst, vol angst en onrust, mee. De moeder strijdt en bidt: de kindren zijn op zee! En de arme vader gaat zijn weerglas bestudeeren, Dat zegt ‘veranderlijk’ - als Breêroo: ‘'t kan verkeeren.’

XI.

En och, deze angst is een beginsel maar der smarte, Steeds dreigend nu voortaan uit de onbekende verte, Waar 't aangebeden kind, naar 't oude Bijbelwoord, Den man gevolgd is, wien haar teeder hart behoort; Den man - den Roover, dien de moeder in haar droomen Reeds bij haar dochters wieg, uit Java, aan zag komen!

XII.

Want zoo is 't noodlot van een teedren Delftschen vader, En moeder: steeds vervolgt hen de oostersche verrader, Die op hun kindren loert, hun dochtren lief en schoon, Steun van hun ouderdom of hunner liefde kroon! - Verraders noemt men hier Studiosi die naar de' Oost gaan, En hun verliefden blik op 't zoete Delftsche kroost slaan.

XIII.

Trekvogels zijn ze, die vaak de eêlste Delftsche duifjes Meevoeren als hun schat, hun kroon, hun prooi, hun kluifjes; Wreed - als de lammergier, die, hoe de moeder treurt, Het eenig ooilam aan haar droeve borst ontscheurt. De waarheid evenwel dringt mij er bij te voegen: Het lammetje neemt, in dat scheuren, ook genoegen!

XIV.

‘Toch, wie daar immer van die jeugdige ongelukken Mijn troost, mijn kroost, mijn schat woû aan mijn hart ontrukken - Dat knaapje sta vroeg op en - wachte zich voor schand! Mijn englen blijven hier, bij mij, in 't vaderland. Is dat een mode thans zoo ver maar heen te zwerven? 't Is levend sterven voor elkander - levend sterven!’

XV.

Zoo sprak of dacht wel vaak, het hart vol liefdezorgen, Vol angst en ernst, temet in dwazen luim verborgen, Zoo sprak of dacht, het oog op 't liefste dochtrenpaar, - De een was goed zestien pas en de ander achttien jaar - Dat immer 't jonge Delft langs 't oude Delft zag zweven, Mijn Delftsche vriend, gij vat, diezelfde van daareven.

XVI.

De man is - weet ge 't nog? - de trappen opgevlogen, Gansch wonderlijk verward, en.... tranen in zijn oogen.... Zou wel goed rijmen, doch niet waar zijn, en ik haat Onwaarheid als de pest, in proza of op maat. En schoon mijn broeders, op dit punt, niet willen deugen, Ik zal mij nooit om 't rijm bezoedlen met een leugen.

XVII.

Geen tranen dan, in 't oog - maar luimig, opgewonden, Ontsteld is onze vriend straks plotseling verzwonden, Bij de aankomst van den brief. Hij scheen u vast, niet waar? Een zonderling, in taal en houdíng vrij bizaar? Uw menschenkennis eer! doch vatten wij elkander: Een Zonderling is een; een Quibus is een ander.

XVIII.

Och, menschen zijn er zat! men vraagt origineelen! Mijn vriend nu was er een, voor schrijvers - om tè stelen. Althans op één punt bleek de man een Humorist, En wel van de echte soort, daar hij er niets van wist: Zij die het weten, ach, zijn meestal, ons tot schade, Gevoelig en naïef met voorbedachten rade!

XIX.

Hij was het van natuur. Zijn hart leek als een luite, Die staag het diepst gevoel in vreemde trillers uitte, Vol liefde, toorn of scherts of weemoed, of dit al Te zaam. Goed was hij meest en zacht, doch bij geval Kon hij zeer vreemd, zeer bar, zeer grillig zich vertoonen - Maar wie hem kende moest zijn dwaasheên wel verschoonen.

XX.

Hij was ruim veertig jaar, maar grijsde reeds ter degen; Gul, prettig, open blonk zijn vriendlijk oog u tegen, Een beetje ironisch wel somtijds. Op 't uitzicht af Was hij een man, dien 'k graag een fikschen handdruk gaf, Een weduwnaar, die nog het oog trok veler vrouwen; Maar 't scheen zijn kroost alleen moest heel zijn hart behouën.

XXI.

Die hij had liefgehad - de lieflijke, de zachte, Met wie hij steeds nog leefde, in heilige gedachte - Ontviel hem, ach! te vroeg, en jaren reeds geleên; Hij was nog jong toen en de kindren waren kleen. Twee wichtjes liet zij na, twee meisjes, rozeknopjes Op leliestengels, twee aanvallige englenkopjes.

XXII.

Ik wenschte om alles wat ik immer heb geschreven, Dat ik thans in mijn dicht u duidlijk weer kon geven, Hoe lief die brave man die kindren had! O 't zou De apotheose zijn der vaderlijke trouw: Het scheen of in zijn hart het denkbeeld was gerezen, Dat hij haar vader beide en moeder nu moest wezen.

XXIII.

Die liefde was, ja, soms vrij angstig, vrij omslachtig, (Een kinderlooze mocht wel zeggen - kinderachtig!) Wat overdreven en onrustig, maar nog meer Aandoenlijk toch voor wie haar vatt'en, diep en teer. Reeds van haar kindsheid af, was dit zijn lust en streven, Niet enkel voor zijn kroost, - doch met haar mee te leven!

XXIV.

Zij groeiden heerlijk op, als in de zonnestralen Dier koesterende zorg! Wat sprookjes en verhalen Kon hij met Jobsgeduld vertellen voor en na; Hoe teeder sloeg hij staag heur jonge ontwikkling gaê; En toen ze als meisjes straks heur zorge ook hem besteedden, Hoe werd hij rijker steeds in al haar lieflijkheden!

XXV.

Ook, welk een teeder vuur ooit 's jongling hart doorgriefde, 'k Geloof - daar is op aard niets teerders dan de liefde, Waarmee de fiere man het aangebeden kind, Zijn blozend dochtertje, de slanke jonkvrouw mint! Uw zonen zijn úw trots, o moeder! - Vrede en zegen Straalt uit het oog van haar, die u gelijkt, hém tegen!

XXVI.

Ja! welk een weelde mag de borst des mans doorstroomen, Die, in het schoone kind, het bruidje zijner droomen, De gade zijner jeugd herleven ziet! voor mij Is deze liefde-soort de schoonste poëzij, Daar reinheid, teederheid en kracht in samenvloeien; Een gloed, die niet verteert, doch immer dóór blijft gloeien!

XXVII.

Wat toch van teedre min de Dichtren ons verhalen, Meest is een steekje los aan al die idealen; Hoe schittrend ook omstraald van dichterlijken gloor.... Daar loopt in werklijkheid meestal wat.... proza door. Zoo Dante Beatrys bemind heeft - kon 't verhinderen, Dat Dante nochtans ook een vrouw had - met acht kinderen?

XXVIII.

Maar Vaderliefde is trouw en innig, altoos heilig, Verheven boven 't lot, voor aardsche wissling veilig! Zij heeft iets hemelsch, zij! - Nu weet ik waarlijk niet Of ook mijn Delftsche vriend kon schildren in een lied, Wat hij gevoelde voor zijn lieve rozenwangen - Doch hij gevoelde wat ik schilderde in mijn zangen.

Delft, Nov. 1858.

(Wordt nooit vervolgd, - maar de schrandere Lezer zal wel geraden hebben, dat de Anti-Oosterling, ïn wien men een Type van Jalousie paternelle had willen schilderen - gij kent Scribes aandoenlijke Comedie? - bestemd was, om door een zijner dochters, wier hart alreeds van Java droomde, - zich-zelven verloochenende, tot een vurig Liefhebber onzer kolonie bekeerd en met sympathie ‘voor al wat oostersch is’ bezield te worden. De andere dochter - type van kinderlijke liefde - zou, in mijn verhaal natuurlijk, een diepe genegenheid hebben opgeofferd om haar vader niet alleen te laten. - Wat dien bewusten brief betreft - doch mijn P.S. dat u niet interesseert, is reeds veel te lang.)

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove