XLVIII.
Een schriklijke avond kwam. De ridder knort en kniest,
Omdat hij gruwlijk heeft verloren bij zijn whist,
En zoekt een' ander om zijn noodlot op te wreken;
Hij vindt dien in mijn held: ‘O jongen, 'k moet je spreken,
Ik hoor je gaat je soms te buiten.... wel verstaan?
Te buiten aan het Rijm? Dat 's dom, dat kan niet gaan,
Zoo krijg je nooit een.... maar dit uurtje is toch verloren,
Kom, snijd eens op! ik wil die prullen ook reis hooren.’