Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

laatste zang.

I.

‘En kregen zij elkaêr nog eindlijk en ten leste?’ Mij dunkt van já, want die ontknooping is de beste, En ieder Meisje, dat romans - in proze of maat - Met ijver leest, kijkt eerst, met de onrust op 't gelaat, Naar 't laatste pagina: ‘of zij elkandren krijgen’ - Zoo niet, dan had de Auteur voor haar part mogen zwijgen.

II.

En dus, al zou 'k er ook maar onbeschaamd om liegen, 'k Zou, lieve Hoorders, eer u twintigmaal bedriegen, Dan u te martlen, dan een droeven maagdevloek, Te laden op mijn hoofd, bij 't einde van mijn boek: 'k Zag liever, u ter eer, een honderd paren trouwen, Op 't eind, dan dat ik om een enkel u liet rouwen.

III.

Maar daar is eerst toch heel wat leven voorgevallen. Mademoiselle kreeg, om één bal, al de ballen Of liever pijlen, die de teêrste moederzorg En 't maagdelijkst vernuft ooit in hun koker borg, Naar 't hoofd! 't was te indecent om heel veel van te praten, En - met Augustus - zou zij toch 't gezin verlaten.

IV.

Hebt ge ooit er iemand zoo vervaarlijk in zien loopen? Of duurder een genot - neen, een verkoudheid - koopen? Geen wonder, de arme had gehuiverd en gezweet, En - trots den warmen nacht - zich toch te dun gekleed. Zij dacht volstrekt niet aan een shawl, in haar confuzie, En zij verloor haar eer - gezondheid - en illuzie!

V.

Des andren daags - maar, om mijn hoorderes te plagen, (Ik houd van plagen!) 'k wil de ontknooping wat vertragen; Ik heb volstrekt geen lust mijn lieven, laatsten zang Zoo af te raff'len, en ga weer mijn ouden gang, Stil, kalm en deftig en geregeld aan 't vertellen; 'k Zal eerst mijn jonker op zijn dwaze vlucht verzellen.

VI.

Hij vlood - hij wendde 't hoofd niet meer - hij was gevloden! Pijl-, vleugel-, bliksemsnel, snel als de rit der dooden, Bij 't aaklig hop-hop-hop in Burger's meesterlied, Snel als de Pegasus, dien niemand loopen ziet, Snel als gelieven, die gestoord zijn, door het lover; Hij maakt de heuvlen glad, hij stuift de vijvers over.

VII.

Maar schoon 't zijn wanhoop wel een beetje door kon luchten - Ach, hoe hij rende of vlood, kon hij zich-zelf ontvluchten? 't Is maar een leenspreuk, die van: springen uit je vel! Hij was, als Manfred, hij zijn eigen Duivel, Hel; Hij was wanhopend en verliefder dan te voren, En in zijn eigen oog bedorven en verloren.

VIII.

'k Heb ook wel eens beproefd mij-zelven, mijn gedachten Te ontvlieden; menigmaal in slapelooze nachten, Of bij een donkren dag van 't najaar; ik ben meest Een paar uur in de week mij-zelven tot een geest Van kwelling, en hoe meer 'k mij-zelf dan wil vergeten, Hoe vaster ik mij-zelf als aan mij-zelven keten!

IX.

Ik zoek vergeefs mijn ziel en zinnen af te leiden, Den geest (den Booze!) van het lichaam af te scheiden; Ik zwem, ik wandel, 'k scherm, 'k rij paard en jaag naar vreê, Mijn Demon zwemt en schermt en rijdt en wandelt mee; 'k Schreef ter verstrooiing ook dit vers, in bange dagen Van zielsneerslachtigheid en donkre weemoedsvlagen.

X.

Denkt, bij den hemel, niet, dat ik die stemming aardig Of intressant vind, neen! ze is jong en oud onwaardig. Gelijkheid van natuur, blijmoedigheid van geest Is 't zalig deel van hem, die God - geen menschen - vreest. Dwaas, die zich door zijn vrouw laat diabolizeeren, Maar dwazer nog, die door zich-zelf zich laat regeeren!

XI.

Dit ondertusschen is een proefje van mijn preeken, Een snuifje, dat wie 't lust, of niet lust, op mag steken, En niest ge er van, zooveel te beter, arme vrind! Dan komt de kou uit 't hoofd, de wrevel en de wind. 'k Gaf ook mijn jonker tijd om even uit te blazen En op zijn noodlot en zich zelven uit te razen.

XII.

't Ging hem als mij, zijn land groeide aan, met de oogenblikken, 't Was alles tandgekners en afgebroken snikken. Hij zag in 't donker, in de diepte van het woud, Al Gouvernantes, mooi en leelijk, jong en oud. En 't had mij niemendal verwonderd, als zijn haren, Des andren daags vergrijsd of uitgevallen waren.

XIII.

Hij ziet in 't hakhout niets dan monsters, kleine dwergen, Met Amorsboogjes, die hem onophoudlijk tergen; Ha! daar 's nog uitkomst in den vijver, die hem noodt, Met lisplend golfgeruisch, te rusten in zijn schoot. Maar hij bedacht zich, wijl het denkbeeld oud en plat was, En mooglijk ook wel - wijl het water koud en nat was.

XIV.

Och keer, Fantasio! en ga vergifnis smeeken!.... Hij buigen? neen, veeleer van woede bersten, breken! Maar ei, hij is verliefd tot over de ooren toe, Zijn rit wordt minder snel, zijn ros is doodlijk moe, Hij stapvoet - hij bedaart - zal hij de teugels wenden? Hij stijgt van 't paard en zinkt in diepte van ellenden!

XV.

Hij zinkt op 't mos ter neer, dat met zijn zweet bedauwd werd, Daar 't in en om zijn hart al meer en meer benauwd werd; De kies breekt pijnlijk door - ten leste - van 't verstand. Hij strijkt zijn voorhoofd koel, met de effen, kleine hand, De traan der Boete ontwelt zijn oog en, van zijn lippen, Laat hij - als een Gebed - zijn Mary's naam ontglippen.

XVI.

En ‘Mary’ zucht de wind en ruischt het geurig lover. En ‘blonde Mary’ klinkt de blonde heuvlen over, En ‘blonde Mary’ lispt het bruine beukenblad, En de Echo roept dien naam, dien hij heeft liefgehad Sinds lange jaren! - o, Fantasio, keer weder En zoek vergifnis aan dien boezem, jong en teeder!

XVII.

‘Keer weer’ vermaant hem 't lied der jonge boschkoralen; ‘Vergifnis’ spreekt de glans der koesterende stralen, Opdagende uit het oost, en 't lelietje van 't dal Mengt ook een zacht akkoord in 't lieflijk toongeschal, En leert hem, hoe hij stil en needrig en bescheiden, Op boete en diep berouw zijn Trots moet voorbereiden.

XVIII.

Hij worstelt wel een poos nog met zijn beetren Engel, Als met den frisschen wind een reeds geknakte stengel; Maar eindlijk buigt hij 't hoofd en neemt een kloek besluit, En zweert voor eeuwig, aan de voeten van zijn bruid, Zijn wilde dwaasheid af, zijn grillen en zijn snorren, En gaat voor haar zich als een schoolknaap doen beknorren.

XIX.

Ik voel mij hier verplicht mijn Hoorders mee te deelen, Dat mijn verhaaltje mij ontzachlijk gaat vervelen. Hoe 't komt op eens? helaas, misschien uit sympathie Of - wijl ik van het staan zoo'n pijn krijg in mijn knie: Ik weet het niet, maar 'k wou wat versche lucht gaan scheppen, En zal mij dus voor uw en mijn pleizier wat reppen.

XX.

En 's middags in het vuur der zomerzonnesteken, Vroeg daar een Poetling, voor het hek, mevrouw te spreken: Men weigerde in het eerst den armen knaap gehoor, Maar hij hield aan, hij riep en smeekte, hij drong door, Ach, zoo één losbol ooit, was hij vergifnis waardig, Zoo bleek, ontdaan, vermoeid, bekeerd, verliefd, boetvaardig.

XXI.

Hij deed een voetval en begon met zacht te stamelen - Om langzaam-aan zijn flux de bouche te verzamelen - Hij helderde alles op, beloofde, vleide en drong, Gebroken was zijn hart, maar wondren deed zijn tong; Enfin, hij kreeg een jaar van boete, deed een reisje, Studeerde een poos nog, promoveerde, en kreeg toen 't meisje.

XXII.

Maar 't lesje had gewerkt. Hij bleef hetzelfde wezen Van vroeger niet; hij was veranderd en - genezen. Niet meer zoo wuft en dwaas, hooghartig en bizaar; Hij werd eenvoudig en verstandig, kalm en waar. Hij zag zijn Mary aan, met zachter, wijzer oogen - Mijn Hoorders, was die bal wel zoo verkeerd gevlogen?

XXIII.

o Dat van uw vernuft, gij Zanger van het leven Mij op dit oogenblik een greintje waar' gegeven, Gij, Christen zoo vol ziel en Dichter zoo vol schats, o Lust van Prins en Boer, o beste vader Cats! Wat zou 'k uit mijn verhaal een fijn moraaltje spinnen, Voor dwaze pronkertjes en zoete, ronde kinnen!

XXIV.

O, mocht ik in den geest des lieven grijsaards spreken, Tot u, o lie ve jeugd, en van uw domme streken, Op mijn besneeuwde kruin 't kalotje van fluweel, 'k Gaf elk van ernst en boert een evenmatig deel - ('k Ben ondertusschen blij, dat 'k voege bij de jongen, En had u anders vast dit lied niet voorgezongen).

XXV.

'k Trok tegen u te velde, o nare muizenesten En grillen, die het brein verwarren en verpesten! 'k Trok tegen u te velde, o dwazen, droeven zucht Van knaap en maagd voor al wat vreemd is in de lucht! 'k Gaf iedereen een neus en lessen in vrijage, Ik rijmde dier op zwier en page op bosschage!

XXVI.

Ik sprak tot iedre maagd van om de veertig jaren: Laat, zoo ge wijs wilt zijn, de jonge minne varen! Verbeeld u niet dat ge een magneet zijt, en pas op Dat gij u-zelve kent, dat u geen toeval fop'! En kijkt een heer u aan, kijk gij dan naar 't gezichtje Van uw logeetjen, of uw dienstmaagd of uw nichtje.

XXVII.

Ik sprak tot iedre maagd, die 't hoofd vult met romannetjes, En verzen: schaapjelief, pas op de Don Juannetjes! Houd oog en oor en hart en mond en venster toe! Doe nooit met schaken mee of kwalijk rendez-vous, En stel die heeren, die zich onweerstaanbaar droomen, Eerst maanden op de proef: 't kon je anders slecht bekomen.

XXVIII.

Gij, jonker, schud vooral de krullen uit uw zinnen, Wees naarstig zoo ge wilt, maar deeglijk in 't beminnen, En wordt gij ooit verliefd, maak een huishoudlijk plan Blijf ernstig en bedaard, gedraag u als een man: Ik raad u eerst alleen een singeltje om te wandelen, En nimmer en volant die dingen te behandelen.

1847-48.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove