CXVI.
'k Heb lief dat eermetaal op 't onverschrokken hart
Des jongen helds, die 't kocht met moed, met bloed, met smart!
En op de brave borst der burgers, die hun leven,
Hun rust of hun fortuin, hun land ten beste geven,
En op het wambuis van den zoon der Industrie....
Waar maar een harte klopt, een vonk gloeit van genie!
o Vorsten! wat noch goud noch zilver kan betalen,
Doe uw verlichte gunst uw volk in de oogen stralen!