XXVII.
't Zwaard ging hier dóór het hart. Dáár dreigend blijft het hangen
Aan zijden draad! de brief, met smachtend zielsverlangen
Vol angst en zorg verbeid, bleef uit! En menig oog
Staart nokkende ter aard en vragend weer omhoog
Tot Hem, die 't waarom weet en, na den nacht van 't lijden,
De schrikbre onzekerheid nog eenmaal laat doorstrijden