XVI.
Welluídend is zijn klank! wat dichterlijke stralen
Doet hij op 't blonde hoofd van 't lieve schepsel dalen!
Wel was zij schoon - maar ook 't bedorven kind van 't Huis,
Een ieders lief en leed, haar Moeders kroon en - kruis!
En sinds die jonker van daareven haar het hof maakt,
Geloof ik dat haar niets dan enkel zoete lof smaakt.