XXXII.
Een vriendlijk oogenpaar, vol reine moedervreugd,
Bespiedt de spanning van de feestelijke jeugd;
't Is de eedle vrouw van 't huis, in alles onderscheiden
Van onzen Ridder, want - zij heeft verstand voor beiden.
Zij ziet de dwaasheên van haar echtvriend met geduld,
Zij is in 't vrouwlijk hart van needrigheid vervuld,
In huis een trouwe zorg, knap, ordlijk, lief en handig,
En voor de wereld schoon en geestig en verstandig.