III. in 't bosch.
De Herfstwind huilt door 't eikenbosch,
De nacht is vochtig koud;
Nat, bibbrend, schuilende in mijn kraag,
Draaf ik alleen door 't woud.
Mijn spokende gedachten, zie!
Ze draven voor mij uit;
En dragen me - als een veer zoo licht -
Naar 't huis der verre Bruid.
De wachthond blaft! een half dozijn
Lakeien licht mij voor;
Ik storm de wenteltrappen op
Met kletterende spoor.
't Is in de comfortable zaal
Zoo geurig, lekker warm;
Daar wacht mij de allerliefste maagd,
Daar vlieg ik in haar arm.
En door 't gebladert fluit de wind,
Ha, ha! zegt de eikeboom:
Wat deert u, dolle ruiter! en
Vanwaar die dolle droom?