LVIII.
De drift intusschen van den Ridder is bedaard,
Schoon hij nog woedend soms naar zeker doosje staart,
Daar ginds apart gezet. De drukke kindren krijgen
Allengs weêr de overhand, na pijnlijk spannend zwijgen,
Gevolgd op vaders speech. Ons meisje houdt zich goed
En schept in moeders blik haar hoop, haar kracht, haar moed.
En 'k zie de laatste wolk van 't dierbaar feest verdwijnen,
Nu 't uur genaakt waarop de Bisschop zal verschijnen.