VI.
Mijn kunstloos drama, want dien naam verdient het wel,
Al breng ik niemand aan de poorten van de Hel,
Mijn vroolijk drama speelt in achttien honderd zeven
En veertig; dag en uur is lang niet om het even,
Raadt zelv': 't speelt op een dag, die, wat hij brenge of baar',
Toch altijd is en blijft de zoetste van het jaar,
De bitterste misschien, gelukkigen en rijken,
Voor d' armen snoeper, die bij alles toe mag kijken!