XVII.
De marmren schoorsteen is met luxe en licht bevracht,
Ginds prijkt een kastje vol van Japannesche pracht;
Als mijn financies mij die grappen permitteeren,
Laat ik mijn zaal eenmaal precies zóó meubileeren:
Twee sofa's, één voor mij, één voor de lieve duif,
Die neêrstrijkt in mijn hof! zacht als haar zachte kuif,
Haar nekje van fluweel! tenzij ik mocht bedenken,
Dat één voor twee wellicht nog meer genot kon schenken.