XIV.
‘Toch, wie daar immer van die jeugdige ongelukken
Mijn troost, mijn kroost, mijn schat woû aan mijn hart ontrukken -
Dat knaapje sta vroeg op en - wachte zich voor schand!
Mijn englen blijven hier, bij mij, in 't vaderland.
Is dat een mode thans zoo ver maar heen te zwerven?
't Is levend sterven voor elkander - levend sterven!’