XL.
Het ranke meisje bloost en siddert als een riet,
Haar moeder knikt haar toe en fluistert: wanhoop niet!
Geen woord meer van dat prul! zegt de oude heer nog bevend.
Maar daar ik meen dat, trots die toespraak zoo wellevend
En minzaam, vrienden, gij, de scène die gij hoort,
Toch niet verstaan kunt, zal ik daadlijk met een woord
U brengen op 't terrein van die familiezaken:
Dan moogt ge tevens met de dochter kennis maken.