VIII
Maar wat of Geerte dan toch in dat sterfhuis deed? -
En wat verbergt zij in de plooien van haar kleed,
Het warme schouderkleed? Wat steelt, wat pakt ze mede?
Hoe bonst haar 't hart toch zoo! En met gejaagde schrede,
Hoe loopt ze dus, als een die niet durft omzien, voort,
Den wind in 't aangezicht, door 't stil en eenzaam oord?
En, met bezorgd gelaat, wat bergt zij, thuis gekomen,
In 't groote ledikant? - Wat heeft ze weggenomen?