XXI.
Toch, als de toovervonk langs wonderdraad gevlogen,
- Snel als de Laster vliedt en 't praatje van den Logen -
De tijding brengt in 't land: de Mail, de Mail is aan!
Dan hoort men harten vaak als dichterboezems slaan,
Want elk, vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven
De levensteekenen, de lange, dierbre Brieven!