III.
Een hekel heb 'k alleen aan die vergifte spinnen,
Indringsters in de rust der teederste gezinnen,
Wier hand, als uit instinkt, verdeeldheid, tweedracht zaait,
Wie alles wel is, mits haar haantje koning kraait,
Die van haar noodlot zich op kleine kindren wreken,
En - druk studeeren in traktaatjes en in preeken.