Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

XXVII.

Hij achtte 't lief kleinood, gelijk zich-zelven, hoog: Een onversierde rok in 's mans diepvorschend oog Was geen gekleede rok; een mooie dekoratie Kon altijd reeknen op zijn eerbied of zijn gratie, Hij keek zijn menschen nooit naar hart of hoofd, maar 't was Zijn lust te kijken naar het knoopsgat van hun jas; Zelfs zijn koetsier had, uit zijn diensttijd, een medalje, En dus een streepje voor bij 't overig ‘kanalje.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove