XXVII.
Hij achtte 't lief kleinood, gelijk zich-zelven, hoog:
Een onversierde rok in 's mans diepvorschend oog
Was geen gekleede rok; een mooie dekoratie
Kon altijd reeknen op zijn eerbied of zijn gratie,
Hij keek zijn menschen nooit naar hart of hoofd, maar 't was
Zijn lust te kijken naar het knoopsgat van hun jas;
Zelfs zijn koetsier had, uit zijn diensttijd, een medalje,
En dus een streepje voor bij 't overig ‘kanalje.’