IV.
Maar ik heb eerbied voor die arme vreemdelingen,
Die eenmaal zusterliefde en weelde placht te omringen;
Nu met een martlaarspalm, dor als een bedelstaf,
God smeekende iedren nacht om een vroegtijdig graf,
Die vreemde luchten en bedorven freules tergen,
Van heimwee smachtend om haar vrinden en haar bergen!