LXXXV.
En zoo ik nu al zweeg en wierp dit prul in 't vuur,
Toch kwam 't geheimpjen uit en - ter onzaalger uur!
Het baat vorst Midas niet of hij met duizend zorgen
Zijn akelige kwaal geheim houdt en verborgen....
Wat fluistert daar in 't veld? Zóo zouden vroeg of laat,
Waar onze Held passeert, de keien van de straat,
De winden over 't plein dien schrikbren kreet doen hooren:
Die man is ridikuul, die man heeft ezelsooren!