CXVIII.
Dan zou men schreien, neen, maar lachen, lachen dat
Het als een donder klonk door deze dwaze stad,
Dan, dan vergeet een knaap zijn achttien jonge jaren,
Zijn onbezorgd geluk, zijn vriendelijke snaren,
Dan grijp ik, (want, helaas, geen wijzer kwam mij voor)
Een groot karikatuur bij 't ellang ezelsoor,
En zeg hem in 't gezicht dat Neêrlands echte zonen
Niet buigen, nu noch ooit, voor zulke lauwerkronen!