XLII.
Gij kent, mijn hoorders, niet? gij kent Luilekkerland?
Gij weet hoe de arme dwaas, die aan dat zalig strand
Des levens zorg en smart wil vlieden en vergeten,
Eerst door een Rijstberg heen moet worstelen en eten?
Die Berg is de oude heer, het meisjen is die kust;
Wie haar aanbidden dorst, moest voor zijn zoeten lust
Heen bijten door Papa! dat werk was niet vermaaklijk,
Een berg van rijstenbrij was haast nog wel zoo smaaklijk!