LXXXVIII.
Een groote stilte daalt en heerscht op ons tooneel;
Een ieglijk houdt zijn vraag, zijn uitroep in de keel;
De Ridder, door een kring van elastieke nekken
Omgeven, plooit vergeefs zijn gêagiteerde trekken.
Hij schuift ter zijde, alleen, ontvouwt zijn brief, verteert,
Verslindt dien met zijn oog en - wat den stumper deert:
Stokstijf, bewegingloos, krankzinnig blijft hij staren,
Pal - als de huisvrouw Loth's, het puik der zoutpilaren!