I.
't Lachend oog, vol liefde en licht,
't Open harte, rein van zorgen,
In den zoeten lentemorgen
Staart een blij en blond gezicht.
Uit de wonderschoone dreven
Van het onbekend verschiet
Klinkt een vleiend tooverlied,
't Lied van 't jonge leven....
Op zijn zachte melodij
Wat al beelden en tooneelen
Reizen de peinzende ziele voorbij!
Rozengaarden, luchtkasteelen,
Kluisjes staêg vol poëzij;
Rijke ekipages of ruischende zalen;
Zilveren meeren en lachende dalen:
Spelende groepjes van schoonheid en jeugd,
Groene terrassen, vol leven en vreugd;
Fiere onbekenden, die 't maagdelijk harte
Groet, uit de verte,
Groet met een blos, met een droom, met een zucht!
Op de wolkjes, in de lucht,
Zoo ze geen heerlijken bruidstooi ziet zweven,
Toch, als in bruidstooi, verschijnt haar het leven,
Lacht haar de toekomst, zoo rijk en zoo zoet....
O, Schoone Wereld, wees gegroet!