XXXVIII.
't Was circa zeven uur toen voor de tiende maal
Een opgeprikte knecht trad in de mooie zaal
En de oudste dochter een klein pakjen overhandde,
Waaraan het lieve kind haar fijne vingers brandde;
Want nauwlijks haalt zij uit het mysterieus pakket
Het elegant kadeau, een gouden bracelet,
Te voorschijn, met een blos en hemelvreugd in de oogen,
Of - de oude heer kijkt scheel en fronst de wenkbrauwbogen.