LXXXVII.
‘Die brief, die hand, dat schrift, dat lak, dat wapen, 't is...
Het schijnt me, neen, ja toch! ik heb het zeker mis....’
Hij kan - is 't hoop of angst of drift? - met moeite spreken.
Hij durft het aadlijk lak zoo maar niet openbreken
En vraagt een schaartje - en knipt met sidderende hand
Het heilig zegel los aan de' een' en de' andren kant!
Hij rolt zijn blik in 't rond en leest op ieders wezen,
Maar vindt geen antwoord en besluit den brief te lezen.