XXII.
Ik wenschte om alles wat ik immer heb geschreven,
Dat ik thans in mijn dicht u duidlijk weer kon geven,
Hoe lief die brave man die kindren had! O 't zou
De apotheose zijn der vaderlijke trouw:
Het scheen of in zijn hart het denkbeeld was gerezen,
Dat hij haar vader beide en moeder nu moest wezen.