LXXVI.
Ik zou haast zweren dat ook gij nog iets verwacht,
En woû wel weten wat ge er eigenlijk van dacht:
Zegt, waart gij zoo attent bij 't vlechten van de draden,
Dat gij de ontknooping van 't verhaaltjen al kunt raken?
Neen, schalke vrienden, neen, het klinke vrij pedant,
Maar de afloop, waarlijk, gaat ver boven uw verstand,
En boven 't mijne! ja, de Hofnar van Kokanje
Verzon zoo'n zotheid nooit, bij 't bruisen der champanje.