XXII.
Voorts is mijn vijftiger zoo min of meer gebuikt,
Zoo min of meer gedast en min of meer gepruikt;
Een man, die even stijf geschroefd zit in zijn boorden,
Als in zijn préjugés; die aan zijn minste woorden
Een klank geeft en een klem, een nadruk, een gewicht,
Als bracht hij, waar hij sprak, een misdaad aan het licht;
Nog bromt hij door een neus, beroofd van alle gratie,
Die paarsch wordt aan zijn punt, in 't vuur der konverzatie.