XII.
Ook wijd ik dit mijn lied u, vrienden in de verte!
Nabij steeds voor mijn oog, niet verre voor mijn harte,
Die eens mijn vroolijk huis zag komen en zag gaan -
Maar komen met een lach en scheiden met een traan.
Zóó is het leven: in de vreugd ligt reeds de rouwe -
Doch gij vergeet hem niet, den handdruk onzer trouwe!