L.
'k Weet niet hoe mijn poëet dit lied ten einde zong,
Ik weet nog minder hoe de Ridder zich bedwong,
(Tenzij de schrik 's mans tong en voet en vuist bleef kluisteren!)
En naar 't ondeugend rijm ten einde toe kon luisteren.
(Ook, onder ons gezegd, des jonkers schalke zang -
Ik heb aan 't versje part noch deel - is veel te lang;
Heet dát een liedje! doch zijn geest was pas aan 't bloeien
En vreemd nog in de kunst van schikken, sparen, snoeien!)