XVII.
En wie was Hij, die 't hart der fiere maagd bekoorde?
Zij, die zich nooit voorheen aan bleeke wangen stoorde!
Zoo rijk aan minnaars als aan walzers op een bal,
Die al de jonkers in den omtrek hield voor mal,
En al de vrijers die haar huldigden, voor dezen,
De gunst slechts... van hen uit te lachen, had bewezen.