XV.
Ik leid u binnen in een lieve, ruime zaal,
Vol vroolijkheid en licht, vol kinderpret en praal;
En 'k liet u graag de rest er zelf maar bij verzinnen,
Om daadlijk met de kern van 't sprookje te beginnen,
Maar dat verbiedt de kunst! Eer toch, o hoorders, groeit
De kokosnoot bevrijd van d' ijzren schil, eer vloeit
Haar melk den wandlaar toe, eer, om de minste zaken,
Een schrijver niet een schil beschrijvingen zal maken!