II.
Gij zijt mijn man en ik omhels u in den geest,
Voor u te zingen is mijn blijde jeugd een feest!
Voor u mijn frissche lach, mijn opgeruimde zangen:
Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen,
Uw tranen wil ik niet. Die kostelijke schat
Komt beter u te pas op eigen levenspad,
En, zoo ik u verveel - de hachlijkste aller kansen -
Dan moogt gij bij mijn vers gaan slapen, fluiten, dansen.