XII.
Want zoo is 't noodlot van een teedren Delftschen vader,
En moeder: steeds vervolgt hen de oostersche verrader,
Die op hun kindren loert, hun dochtren lief en schoon,
Steun van hun ouderdom of hunner liefde kroon! -
Verraders noemt men hier Studiosi die naar de' Oost gaan,
En hun verliefden blik op 't zoete Delftsche kroost slaan.