XX.
Ja lang niet mooi.... en toch vol fraaie deftigheid;
Hij vult zijn leuningstoel met breede majesteit:
Zijn boezem, wit als sneeuw - ik breng zijn stijfster hulde -
Zet hij zoo hoog alsof zijn naam zijn eeuw vervulde!
Hij knijpt zijn oogen soms, zoo zalig, zoo vermoeid,
Als op een warme stoof het poesje dat zich broeit;
Toch ziet de man er uit of hij van drift zou stikken,
Als gij hem met een speld dorst in zijn beenen prikken.