XLV.
De jonge schenker van de gouden bracelet
Had zich om de eedle maagd gewaagd aan al die pret.
Reeds op haar eerste bals was hij haar liefste aanbidder,
En schoon de Ridder had bepaald dat slechts een Ridder,
Van de' echten stempel, eens zijn schoonzoon worden zou
Toch had een knaap die liefst geen ridder wezen wou,
Na duizend moeilijkheên, in 't eind acces gekregen,
Vooral omdat Mevrouw hem hartlijk was genegen.