XX.
Hij was ruim veertig jaar, maar grijsde reeds ter degen;
Gul, prettig, open blonk zijn vriendlijk oog u tegen,
Een beetje ironisch wel somtijds. Op 't uitzicht af
Was hij een man, dien 'k graag een fikschen handdruk gaf,
Een weduwnaar, die nog het oog trok veler vrouwen;
Maar 't scheen zijn kroost alleen moest heel zijn hart behouën.