XCV.
In 't oog des Ridders welt een groote vreugdetraan;
Hij ziet zijn vrouw, zijn kroost, zijn knoopsgat teeder aan,
Dan strekt hij de armen uit in theatrale ontroering
En - als een slecht akteur in tragische vervoering -
‘Dees dag - zoo barst hij los - blijft onvergeetlijk schoon!
Hoor, ik ben kommandeur! kijk, van den Eikekroon!...’
En hij drukt alles aan zijn rok, zijn vrouw, zijn zoontje,
Zijn dochter, broêr, neef, nicht en 't meest zijn... Eikekroontje!