I.
Hoog van de Alpen, bij de stralen
Van den morgen, zag ik neer
Op het lustoord in de dalen,
Tusschen Thuns en Brienz' meer;
't Lustoord met zijn rij paleizen,
Waar der bergen hoogen gast,
Moe van 't onvermoeide reizen,
Pracht en weelde zoet verrast;
Waar het goud van 't rijke Noorden,
Dat een armen Zwitser boeit,
Meer dan Lémans heilge boorden,
Als een snelle bergstroom vloeit;
Waar ge in schaûw der geurge blaêren
Van het noteboomenwoud,
Britsche schoonen na kunt staren,
Als de Jungfrau, blank en - koud.
Ook baronnen en vorstinnen,
Als de Grimsel, bar en hoog;
Ook zeer gnädige gravinnen,
Met een Sehnsuchts-meer in 't oog....
Doch, hoe lag 't nu daar beneden
Kleen en nietig aan mijn voet,
't Nest vol schittrende ijdelheden!
In den morgenzonnegloed.
Nietig - of ze louter dwergen,
Lilliputters hield bevat;
Ja, het scheen wel van de bergen
Zóó als waar die kleene stad,
Die de grootheid aller landen
Zich ten zomerlustoord koos -
Opgezet door kinderhanden
Uit een Neurenburger doos