Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

I.

Hoog van de Alpen, bij de stralen Van den morgen, zag ik neer Op het lustoord in de dalen, Tusschen Thuns en Brienz' meer;

't Lustoord met zijn rij paleizen, Waar der bergen hoogen gast, Moe van 't onvermoeide reizen, Pracht en weelde zoet verrast;

Waar het goud van 't rijke Noorden, Dat een armen Zwitser boeit, Meer dan Lémans heilge boorden, Als een snelle bergstroom vloeit;

Waar ge in schaûw der geurge blaêren Van het noteboomenwoud, Britsche schoonen na kunt staren, Als de Jungfrau, blank en - koud.

Ook baronnen en vorstinnen, Als de Grimsel, bar en hoog; Ook zeer gnädige gravinnen, Met een Sehnsuchts-meer in 't oog....

Doch, hoe lag 't nu daar beneden Kleen en nietig aan mijn voet, 't Nest vol schittrende ijdelheden! In den morgenzonnegloed.

Nietig - of ze louter dwergen, Lilliputters hield bevat; Ja, het scheen wel van de bergen Zóó als waar die kleene stad,

Die de grootheid aller landen Zich ten zomerlustoord koos - Opgezet door kinderhanden Uit een Neurenburger doos

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove