VII.
Ginds ligt het witte Huis in donker groen verborgen:
'k Zou van den zomer graag een week vier, vijf, mijn zorgen
Daar gaan vergeten! 't ligt zoo vreedzaam en zoo blij.
‘Hier is men jong, tevreên, gelukkig, buiten, vrij,’
Zoo ruischt mij 't windje door de slanke populieren
En breede linden, die rondom het plein versieren.