XXIII.
o Dat van uw vernuft, gij Zanger van het leven
Mij op dit oogenblik een greintje waar' gegeven,
Gij, Christen zoo vol ziel en Dichter zoo vol schats,
o Lust van Prins en Boer, o beste vader Cats!
Wat zou 'k uit mijn verhaal een fijn moraaltje spinnen,
Voor dwaze pronkertjes en zoete, ronde kinnen!