VII.
Een vriendelijke dag, een trouwe kindervrind,
Een dag, die elk van ons heeft liefgehad als kind,
En die nog pas uw beurs, uw kroost, uw maag, uw woning,
Bepaald in opstand bracht; een bisschop en een koning,
Vol zoetheid voor den mond, vol zielezaligheid,
Wiens naam gij langer niet kunt zwijgen, lieve meid,
Wie hij, jaar in jaar uit, een stroom brengt van cadeautjes,
Altijd incognito van twintig beaux en beautjes!