tweede zang
I.
Mijn Hoorders, 'k wil geen kwaad van gouvernantes spreken, Zelfs niet, al zou het zijn om mij van kwaad te wreken! Daar zijn er, die ik eer met liefde en stil ontzag; Daar zijn er anderen, die ik wel lijden mag; En met de meesten heb ik innig medelijden, Al zijn ze ook taai en saai, beschouwd van alle zijden!
II.
Ja zelfs met die het meest, vooral op theevisiten, Als 'k een geheimen traan in 't lauwe vocht zie vlieten, In 't hoekje van de zaal. De poes alleen maar kijkt De juffer smachtend aan - om melk. Geen jonker wijkt Een handbreed van zijn plaats, om haar een stoel te geven, Geen vlinder, die rondom de dorre rank wil zweven.
III.
Een hekel heb 'k alleen aan die vergifte spinnen, Indringsters in de rust der teederste gezinnen, Wier hand, als uit instinkt, verdeeldheid, tweedracht zaait, Wie alles wel is, mits haar haantje koning kraait, Die van haar noodlot zich op kleine kindren wreken, En - druk studeeren in traktaatjes en in preeken.
IV.
Maar ik heb eerbied voor die arme vreemdelingen, Die eenmaal zusterliefde en weelde placht te omringen; Nu met een martlaarspalm, dor als een bedelstaf, God smeekende iedren nacht om een vroegtijdig graf, Die vreemde luchten en bedorven freules tergen, Van heimwee smachtend om haar vrinden en haar bergen!
V.
Het nieuw persoontje, dat ik nu op touw ga zetten, Lijkt niet in 't allerminst op een van deez' portretten; Zij is geen spin, geen feeks, geen jonge martlares, Noch mooi, noch leelijk, ook geen afgetrokken bes. Zij is haast veertig, maar kan nog voor dertig doorgaan; Zij laat zich nog al iets op haar figuurtje voorstaan.
VI.
Ze is over 't algemeen zoo taamlijk onbeduidend; Haar neusje is fijn, haar stem is grof en onwelluidend; Haar blik is smachtend, en aandoenlijk haar gemoed; Ze is heel gevoelig voor een blik, een lach, een groet; Zij droomt een heelen nacht van een galanterietje, En in de loterij des huwlijks trok ze - een Nietje.
VII.
Haar gouden eeuw vlood heen, sinds Mary niet meer kind was, Schoon ze om haar goede ziel in huis nog al bemind was; Zij had een tikje weg van stille jaloezij, Ook hield ze nog al van een lieve plagerij, En als het mijn verhaal niet al te zeer deed zwellen, Dan waagde ik 't wel van haar een grapje te vertellen.
VIII.
Maar nooit, schoon 'k anders wel eens met de luî mag gekken, Nooit zou ik wagen dat gezicht haar na te trekken, Dat, toen haar voetjen, op haar kamer, vóór 't soupé, Juist over 't lief cadeau van onzen jonker gleê, Zij, bij die vondst en ná die lezing, heeft getrokken, Zij leegde haar karaf, - ze was fameus geschrokken.
IX.
Voorts nam ze spiritus, ik meen wel ‘nitri dulcis’, En meer nog daar mijn maag niet gaarne mee gevuld is. Toen sloeg zij de oogen op, ten hemel - kippevel Had ze al een poosje - toen trok ze eensklaps aan de schel En liet maar weten, dat zij schriklijk pijn in 't hoofd had, - Had ze ‘in haar hart’ gezegd, ik zweer dat ik 't geloofd had.
X.
Nu zat ze bij den glans der maan een uur te smachten, En ging de zaak eens na, verzonken in gedachten. Nu eerst, nú zag zij 't in, hoe Hij haar lang en veel En vaak had aangestaard - och, arme! zij zag scheel En dubbel; ik weet het niet hoe 't anders kon geschieden, Dat zij des spotters blik hield voor verliefd bespieden!
XI.
Hoe hij aan 't rijtuig eens haar beentjes had geprezen, Haar voetjes vergeleek bij die der Pekinezen; Hoe hij haar Dinsdag had gewaarschuwd voor den tocht, Hoe hij haar Woensdag een biscuitje had verzocht, En - hoe hij Donderdag haar heel intiem verteld had, Dat hem, twee nachten lang, dezelfde mug gekweld had.
XII.
Nu wist ze, dat hij 't klein Marietje slechts fêteerde Uit vrees, dat iemand zou bemerken, wat hem deerde. Zij rolt het briefjen in haar handje al heen en weer, Snikt, bloost, lacht, fniest en schreit, verlievend meer en meer... Die brief nu, als ik zeî, was in zoet Fransch geschreven, Maar 'k zal hem hier, vertaald in 't Hollandsch, wedergeven.
XIII.
Het is onloochenbaar, dat iedre deklaratie Om de eigen spille draait, bij ieder volk en natie. Hoe kunstloos of gesierd, hoe ernstig, wild of dwaas, Eén woordje machtiger dan alle, speelt de baas. Na iedre voorrede, iedren omweg volgt - quand même - Ce mot, le mot des Dieux et des hommes: Je t'aime!
XIV.
Dit laatste Fransche vers is zeer direkt gestolen Van ‘glimworm Viktor Huig, het puik der kapriolen,’
Niet waar: het is van Lamartine, lieve Vrinden - Maar toch bij Hugo en bij andren ook te vindon.
't Geen weer gestolen is uit Jonckbloet's geestig boek, Belaên met Fuhri's dank en 's Gravenhage's vloek, Die weer gestolen heeft, waarschijnlijk, van een ander, Waaruit gij leeren kunt: Mijn broeders, helpt elkander!
XV.
Maar 'k heb u straks beloofd niet telkens af te dwalen, En zou u, naar ik meen, dien keur'gen brief vertalen. 'k Moet eerst nog zeggen, dat daarin Mariës naam Niet stond vermeld, en hij voor alle meisjes saam, Die zich verbeelden mooi en blond te zijn, geschikt was, Schoon hij in eer en deugd op ééne maar gemikt was.
XVI.
Toch waant niet, dat ik aan de letter nu wil hangen, Ik ben geen letterknecht, met afgevaste wangen, Geen lange, dorre staak, geen taaie knutslaar, die Zijn zaligheid verwacht van 't puntjen op een i! Ook zweer ik u, dat nooit mijn vroolijke oogen knipten Van 't turen op in 't Grieksch gekrabde manuscripten.
XVII.
De geest, de geest alleen maakt vrij! die doode letter Doemt u tot slaven! Ziet den suffen letterzetter Of, wat mij 't zelfde dunkt, den ouden kamerrot, Die perkamenten kauwt, en in wiens geest de mot, (Het vliegje des verderfs,) als in zijn boeken huishoudt, Wiens vunze lettertaal geen reedlijk mensch voor pluis houdt.
XVIII.
De geest dan van den brief mijns jonkers was poëtisch, En meer dan 't lied, dat ik u debiteer, pathetisch.
't Was aaklig, schreef hij, voor een jong en minnend paar, Altijd omringd te zijn van heel een Argus-schaar, En immer, waar men school in 't liefst en donkerst laantje, Een blik te duchten - 's nachts had men alleen het maantje.
XIX.
‘Een reine liefde minde een zalig tête-à-tête, Rien d'aussi tendre et pur, qu'une flamme secrète, Niets zoo welsprekend als de stilte; niets zoo kuisch Als de adem van den nacht en 't westewindgesuis. 't Stond goed, den starren slechts, den heiligen flambouwen, Het eerst en zoetst geheim der liefde te vertrouwen...’
XX.
Et caetra! 't kwam er op, dat hij een rendez-vous vroeg: (Zij zou wel zien straks, hoeveel kusjes hij nog toevroeg!) 's Nachts - 't was toch niet te koud? - 's nachts om een uur of twee, Vóór op 't balkon, - prudence - amour - fidélité! Hij had gezegd, dat hij niet thuis kwam voor 't soupeeren En de avond, licht den nacht, maar buiten bleef passeeren.
XXI.
Men was sinds lang gewend aan 's jonkers vreemde kuren, Ook, als zijn avondrid soms in den nacht mocht duren, Werd niemand ongerust. Hij was al vaak verdwaald; Eens had hij in het bosch twee stroopers achterhaald, Hij onderzocht of 't wel in ernst op 't kerkhof spookte En de oude heks van 't dorp daar kinderbeendren kookte.
XXII.
Hij wist zoo dwepend van zijn tochten te vertellen, Dat Mary hem wel graag in stilte eens wou verzellen.
Ook zeî hij, de avond is gezond en koelt mijn hoofd; - Hij had nog nimmer aan verkoudheid recht geloofd - Soms sprak hij ernstig van die heilige gedachten, Die rijzen in de ziel, in slille zomernachten.
XXIII.
Nu was hij weder her- en derwaarts heengezworven: Eerst naar den jager, waar de moeder was gestorven; Daar sprak zijn teedre ziel een woord van moed en troost, Hij kuste, met een traan in 't oog, 't verweesde kroost; De woeste knaap scheen als een Engel in hun midden, Die God voor 't arm gezin om kracht en hulp kwam bidden.
XXIV.
Toen was hij pijlsnel naar de boerderij gevlogen En zwolg een groot glas bier met toegeknepen oogen, Stak zijn sigaar op, en zoo onverwacht als koen Gaf hij de boerendeern een hartlijke' afscheidszoen, Die geurig klapte en klonk, en zeî: ‘ziedaar, me lammetje! 'k Heb achting voor je bier en dank je voor je vlammetje!’
XXV.
Hij vroeg het uur. Helaas, pas tien! Hij rijdt nog even Het watermolentje om, langs 't park, de vijverdreven; 't Was elf in 't dorp; ai, 't was nog altijd veel te vroeg Schoon 's minnaars bruisend hart zwaar als de dorpsklok sloeg, En vlugger dan de hoef van 't paard begon te kloppen; - Mijn jonker was verliefd, tot in zijn vingertoppen!
XXVI.
Zeg, hebt gij ooit een uur doorworsteld, dat u scheidde Van 't oogenblik, waarop uw meisjen u verbeidde?
Kent gij die foltring, waar ook 't ijzren mannenhart Voor wegsmelt? langste, wreedste en zoetste en teerste smart! Als iedre zenuw slaat aan 't prikkelen en kittelen - .....................Het laatste vers van dit koeplet bestaat uit tittelen.
XXVII.
Kent gij die pijn? 'k hoop ja voor u en mij, Meneeren, Want 'k heb geen lust om haar thans meer te detailleeren. Ik wou mijn veder liefst niet doopen in het bloed Van 't ongeduldig hart en teerverliefd gemoed, En zou mij-zelven niet aan die descriptie wagen, Al kwam mij 't liefste kind het op haar knietjes vragen.
XXVIII.
Veel liever geef ik een medaille, in goud gesneden, Hem, die mij zeggen zal, wie 't meeste heeft geleden: De jonker, die daar vloekt van passie, op zijn paard, Of zij, die telkens uit het open venster staart En dan weer neerzijgt en uit wanhoop en misère Verscheiden pluisjes plukt uit 't dons van haar voltaire?
XXIX.
Maar 't uur der liefde naakt en 't eind der liefdeweeën! De toren zingt het lied der minne: kwart voor tweeën! Hij spoort zijn ros, hij vliegt: o toef mij, zoete Bruid! Mee galoppeert zijn hart en bonst en jaagt zoo luid, Als - 't hart der jongelui, die na hun staatsexamen, Den uitslag wachten van dat kannibaalsch tentamen!
XXX.
O, zeg toch nooit, dat wij zoo schriklijk flegmatiek zijn, Als of we altoos verstopt, verkouen, suf en ziek zijn! Dat nooit een Hollandsch hart in brand kan vliegen, maar Steeds als 's lands turven smeult, vervelend, langzaam, naar; Ik ken er nog wel meer, met vuur en kwik in de aderen, Geheel verbasterd van de stemmigheid der vaderen!
XXXI.
't Is waar, de landaard is hier ver van aardig, vroolijk, Enthousiast, vol vuur of amusant en oolijk; Maar, lieve Hoorders, 't is de schuld van ons klimaat En van ons weerglas, dat altijd op najaar staat; Wij gaan met parapluis steeds langs beslijkte wegen, En worden taai als leer, doorzieperd van den regen!
XXXII.
Maar ducht ik voor mijzelf dat natste der klimaten, 'k Heb toch mijn Holland lief, gelijk een visch zijn graten. Ik ben er om-, er aan-, er in-, er doorgegroeid, Ik zwem al door het nat, daar 't land van overvloeit, En schoon heel koûlijk, 'k heb nog altijd stof tot danken, Dat 'k niet bij d' ijsbeer aan de Noordpool zit te janken!
XXXIII.
Ook is 't me een wellust mij nog somtijds op te winden, Te dwepen bij het stof der lang ontslapen vrinden, Der beste Bestevaers, avunkels onzer roem; Mij op te frisschen bij den heldren glans der bloem Van Hollands glorie, die haar geur spreidt door de blaren Van 't oud geschiedboek en de jonge dichtersnaren!
XXXIV.
O, groene martlaarspalm, door de englen zelf gevlochten, Toen Neerland tachtig jaar voor Waarheid had gevochten! O, Maurits, Vondel, held en zanger, gij, van God! O, Fredrik-Hendriks eeuw! O, faam van 't Muierslot! Wat zangen, die men zong, wat strijden, die ze streden.... Maar jammer, dat het al zoo'n poosjen is geleden!
XXXV.
Dit 's van mijn zwerversgeest weer een vervelend staaltje, Maar 'k heb intusschen, in mijn kunsteloos verhaaltje, 't Kwartier van spanning en verwachting aangevuld; - Och, beste Hoorders, gij hebt tienmaal meer geduld, Dan onze held, die lang zijn laatste had verloren, En toont het door mij zoo geduldig aan te hooren!
XXXVI.
Hoort gij de schelpen niet al kraken voor het Buiten? Hoort gij daar ginder nog geen venster opensluiten? En merkt gij hoe de maan zich met haar vollen lach Juist eventjes verschuilt? niet uit een kuisch ontzag Of uit diskretie, neen! om strakjes, zonder schroomen, Om bij de ontknooping schalk en spottend weer te komen.
XXXVII.
De knaap had al van ver het licht in 't oog gekregen; Hoe zalig klopt zijn hart, zijn blonde Mary tegen! Zij had zijn beê verhoord en in zijn trouw geloofd! Nooit schudde 't lokkig haar hem trotscher om het hoofd! Hij komt - zij wenkt - hij ziet een witten zakdoek wuiven.... Hij gaat met paard en al het venster binnen stuiven....
XXXVIII.
Goddank, hij weet bij tijds zijn klepper in te toomen, De hoefslag lost zich op in 't ruischen van de boomen. Hij stapt van 't paard, hij treedt voorzichtig, zachtjes, slim, Tot aan 't balkon - de held berekent al den klim - 't Is nog zoo hoog niet - stil - hij lispelt: ‘o Charmante!’ - Nog is het katje grauw.... daar brult de Gouvernante!
XXXIX.
Stort in, o marmer, stort op mijn bedorven jonker! Verschuil u, zilvren maan, kwijn weg, o stargeflonker! Verberg voor eeuwig in uw boezem, donkre nacht, Zijn jammerlijk figuur, dat hij zoo schittrend dacht!... 't Is mis, de lucht blijft klaar, de maan komt weer en grinnikt Vol helschen spot, de wachthond blaft, de klepper hinnikt...
XL.
Eerst was Fantasio versteend ter zij geweken, Hij dacht de Nemesis der romaneske streken Te aanschouwen, - maar, bij 't licht der opgekomen maan, Ziet hij met open arm de ‘juffer’ voor zich staan! - Nu denkt hij niets meer, maar hij gilt en snikt en schatert Van zenuwachtigheid, dat 't in den omtrek klatert!
XLI.
De blonde Mary sliep den slaap van zestien jaren. Zij droomt, dat zij haar vrind een bosje bruine hairen, Al stoeiend, voor haar ring, ontrooft - hij gilt - ze ontwaakt, Zij richt zich overeind - zij luistert - schrikt - zij maakt Zich bang; 't zijn dieven! hoor! zij wil aan 't schelkoord trekken... Maar neen, voorzichtig, zacht, zij gaat haar moeder wekken.
XLII.
Nu raken eerst in ernst de poppen aan het dansen, Als heksen op de hei bij zomeravondglansen! Mijn Saffo en peignoir kijkt alleraakligst zuur, Mijns jonkers oog schiet spot en laster, vloek en vuur! 't Is klaar, dat hij nog aan geen mal figuur gewend was, En van een trotsch en woest en vreemd temperament was.
XLIII.
En ondertusschen ging daar stil een venster open Op Mary's slaapsalet, en op haar teenen slopen Twee schimmen langs 't kozijn en zien - en zien - ja wat? Gij weet het, Hoorders! doch ik zeg alleen maar: dàt! Een scène, daar ik haast geen naam voor weet te vinden, Een ridikuul dat ik niet toewensch - aan mijn vrinden.
XLIV.
En op 't geschreeuw kwam ook de tuinman toegeschoten, Met twee gespierde knechts, tot 't uiterste besloten, Gewapend met een hark, een zeissen en een schop; Eén oogenblik nog en - Fantasio krijgt klop! Gelukkig hij, dat daar geen snaphaan bij de hand was; 'k Geloof waarachtig, dat hij anders al van kant was!
XLV.
Nu zinkt hij op de knie: - ‘o God, ik ben bedrogen! Mijn Mary, is de bal niet in uw raam gevlogen?’ - - ‘Gedebaucheerde knaap!’ bijt hem de moeder toe: ‘Mademoiselle! et toi, folle d'un petit fou!’... 'k Meen, zoo dit laatste woord den jonker niet ontsnapt was, Dat hij dan schriklijk in zijn point d'honneur getrapt was.
XLVI.
Hij kon niet meer, hij was kapot; de juffer, blazend Van spijt on angst; de vrouw des huizes, dol en razend; 't Was alles in de war, hier 't hart en daar het hoofd. Het was een drama, maar met dwaasheên als doorstoofd. Ach, niemand van de akteurs begreep er recht de klucht van: Alleen Marietje had er eventjes de lucht van.
XLVII.
Toch was zij boos en sloeg op d'armen knaap twee oogen, Die hem doorboorden, als twee bliksems uit den Hoogen. Daar was geen houden aan 't rampzalige figuur! Hij, vroeger steeds fripon, was dupe sinds een uur! Hij vliegt te paard: ‘Vaarwel, 'k zie nooit mijn Mary weder’... En 't somber treurgordijn valt zwaar en statig neder.
Cookies on Poetry Cove