LIII.
‘Gij zijt te nietig voor mijn gramschap, kleine kwast,
Gij waart mij al sinds lang een gruwel en een last!
Nu is de mate vol, gij zult mij zeer verplichten
Met nooit uw wandling meer hier naar mijn huis te richten.’
Ziedaar een zeer beknopt, fatsoenlijk résumé
Van 's mans welsprekendheid. De knaap kreeg zijn congé,
De Ridder kreeg - de koorts, en ijlend zag hij Narren
Die sprongen om zijn hoofd met zulke ridderstarren!