I.
Voor de menschen klaag uw leed
Niet te luide, niet te lange,
Niet te bange:
Meest vertooning scheurt haar kleed.
Pronk niet met geleden smarte;
Stilte is tolk van 't diep gemoed,
Meer dan wanhoops tranenvloed.
De eedle ziel, bij 't heilig lijden,
Heeft haar fierheid; vreest der schaar
Oppervlakkig treurgebaar,
Als den troost der ongewijden;
Wat voor allen, niet voor háár!
Moge een traan het oog ontglijden,
Echte droefheid, bleek maar schoon,
Draagt heur wonden niet ten toon.
Doch de nachtwaak ziet haar strijden,
Doch háár Trooster kent haar rouw,
En die zij beweent haar trouw!