II.
Op de bergen van het Lijden,
- Steile weg naar 't heilig Land -
Op de bergen van het Lijden
Voerde mij der Liefde hand.
Van hun toppen - 't scheen wel nader
Bij der starren heilge sfeer
En de woning van den Vader -
Op de wereld zag ik neer;
Op al de eerzucht, op de dingen,
Op de menschen van den dag -
Grootheên, die elkaêr verdringen -
Wie er wat beduiden mag!
Ruiterij van filozofen
Met een theologenheir
Streden samen: van daarboven
Scheen 't een stofwolk en niets meer.
Al hun glorie, al hun weelde
Werd zoo nietig en zoo kleen,
Wat mij griefde, wat mij streelde
IJdelheid der ijdelheên!
En ik dacht weer aan dien morgen,
Aan dien morgen van weleer,
Toen ik lachend, zonder zorgen,
Blikte hoog van de Alpen neer.