LXXXIV.
Ja opent de ooren! neen, mijn vrienden, stopt ze dicht!
Vlucht, hoorders, vlucht van hier, verbergen we ons gezicht!
Ik heb een ridikuul zóo gruwlijk te openbaren,
Dat ik nog hier mijn vers, mijn plan, mijn man liet varen,
Zoo keeren mooglijk was, zoo mijn geheim niet sprong,
Niet brandde en gloeide en beet op 't puntje van mijn tong!
Zoo 'k niet mijn groot Paskwil ten voeten uit woû teekenen
En met de waarheid en de domheid af moest rekenen!