XV.
Hij zinkt op 't mos ter neer, dat met zijn zweet bedauwd werd,
Daar 't in en om zijn hart al meer en meer benauwd werd;
De kies breekt pijnlijk door - ten leste - van 't verstand.
Hij strijkt zijn voorhoofd koel, met de effen, kleine hand,
De traan der Boete ontwelt zijn oog en, van zijn lippen,
Laat hij - als een Gebed - zijn Mary's naam ontglippen.