XXXVII.
't Was, als ik zeî, 't werk van een omzien: 'k vind het aardig
En heel bizar, en dus mijn held ten volle waardig.
Hij legt zijn jockey met den vinger 't zwijgen op,
En vliegt van daar als een verwinnaar, in galop!
Maar ach! hoe menigmaal de zoetste droomen liegen,
En, Hoorders, waar een bal toch niet al heen kan vliegen!