XXIV.
Hij viel niet machtig slim; zelfs had hij in zijn jeugd,
Gerechte Hemel! voor de studie niet gedeugd;
Maar hij 's nu ouderling en jonkheer; kommissaris
Van zijn beminden club, waar alles even ‘naar’ is;
Een groot vereerder van het edel paardenras,
En - soms niet wel bij 't hoofd, schoon altijd wel bij kas.
Ook kocht hij alle-jaar den Almanach de Gotha,
En wist de titels van de vorstjes op een iota.